Geplaatst door op 30 January 2014

11665349864_c06af63ff7_b

Obama overlegt met Susan Rice en Lisa Monaco voordat hij de Duitse bondskanselier Angela Merkel gaat opbellen. Zij heeft via Snowden vernomen dat de NSA haar mobiele telefoon afluistert. Foto: Pete Souza / Het Witte Huis. 

In zijn langverwachte – en licht teleurstellende – toespraak over de NSA-affaire zei president Obama vorige week dat de technologie zich nu zo snel ontwikkelt, dat wetgeving er onvermijdelijk achteraan hobbelt. Dit werd hem door z’n critici niet in dank afgenomen. Bas Heijne noemde de uitspraak het zwakste excuus in jaren. Alsof Obama de NSA om die reden niet zou kunnen inperken. Het bureau vergaart alle data die we maar produceren – met medeweten van een president, die overigens wel een beperking aankondigde van dataopslag en afluistermethodes.

Maar, NSA of niet, Obama heeft wel een punt. Met de huidige snelheid waarmee technologie zich ontwikkelt loopt wetgeving per definitie achter. En dat is niet het enige probleem. Want de maatschappelijke discussie hobbelt weer achter de  tekortschietende regelgeving aan. Idealiter vormt wetgeving het residu van maatschappelijke en politieke meningsvorming. Idealiter vormt wetgeving het residu van maatschappelijke en politieke meningsvorming. Maar over technologie is de laatste jaren slechts bij uitzondering gedebatteerd. Pas nu zijn mensen boos vanwege de NSA – en dan rijst nog de vraag om hoeveel burgers het gaat. Maar waar blijft het nationale politieke debat? In Nederland blijft het stil. Toezichthouders en regelgevers, bijvoorbeeld bij de EU, moeten dus maar op hun eigen inzicht varen, want voeding uit de samenleving blijft grotendeels uit – afgezien van lobbyisten, die strijden voor deelbelang.

De Italiaans/Britse filosoof Luciano Floridi vergeleek de gang van zaken in een gesprek met mij met een hardloopwedstrijd. De technologie loopt voorop, de regelgevers volgen en nog verder achterop sjokt het publiek. Dat zou niet zo erg zijn, zegt Floridi, als de onderlinge verschillen niet steeds groter werden. En dat is het geval. Politici vinden het moeilijk om technologische vraagstukken te problematiseren. Het brengt ze niet aan tafel bij Pauw & Witteman. Misschien nog wel lastiger voor hen is dat technologie zich niet in links of rechts laat indelen. Disruptieve technologie brengt bedrijven in sommige sectoren aan de rand van de afgrond (denk aan media, reizen, makelaars, detailhandel). Maar alle gratis toegankelijke informatie op internet maakt mensen ook sterker en wijzer. Op basis van welke ideologie moet je dan voor of tegen zijn?

Het is een van de redenen waarom het onderwijsproject van de Canadese leerkracht Heidi Siwak zo tot de verbeelding spreekt. Zij liet haar klas van 11 en 12-jarigen wekenlang leren over de impact van robots, als maatschappijleer-project (zie ook De Groene van 30/1/14). Ze had een prikkelende column van de New Yorkse hoogleraar psychologie Gary Marcus als uitgangspunt genomen. Deze schreef dat het debat over moraliteit van machines hoognodig op gang moet komen, zie ook het thema waarden op deze website.

Siwak koos voor een interessante vorm. Ze liet de kinderen hun eigen standpunt over robots ontdekken en verdedigen. Die waren op hun beurt enorm enthousiast over het onderwerp, ook de kinderen die robots categorisch afwezen omdat ze niet menselijk zijn. Het ging immers om vragen die pas echt prangend worden als zij zelf volwassen zijn. Heidi: ‘Het mooie van dit onderwerp is dat het de leerlingen ervan heeft doordrongen dat ze in de toekomst ethische keuzes zullen moeten maken. Door nu al te zoeken naar een morele positie, helpt dat bij latere beslissingen die zeker gaan komen. De kinderen realiseren zich nu dat hun toekomst er heel anders uitziet dan het leven vandaag. En dat ze zich moeten voorbereiden op de veranderingen die komen.’

Het project maakte de scholieren wel bewuster maar niet per definitie positiever over de opmars van robots. De discussie trok duidelijke scheidslijnen door de klas. Heidi: ‘De leerlingen met een bèta-profiel zagen nergens een probleem. De alfa’s waren vaak tegen en de sociaal gerichte leerlingen dachten juist vaker na over de implicaties. Zij aarzelden het meest en bleven maar goede vragen stellen. Tussen jongens en meisjes was er geen verschil, maar dus wel tussen alfa- en bètadenkers.’

Heidi hield niet stil bij de vraag of je er voor of tegen moet zijn. Robots komen er toch, of we het leuk vinden of niet. Haar leerlingen bogen zich daarom ook over de vraag wat robots wel en niet zouden moeten mogen. Heidi: ‘Een van de beste discussies met de klas ging over de vraag: wie moeten de nieuwe technologie ontwerpen? Wat voor soort mensen hoort in zo’n team? Toch niet alleen technische mensen? We hebben het zelfs gehad over de persoonlijkheid en de opleiding van zo’n ontwerper. Welke taal spreekt hij of zij? Hoe werkt de persoonlijkheid van de ontwerper door in de technologie? Dat was een ontzettend goede discussie.’

Ze vertelt lachend dat sommigen van haar leerlingen nu in robotics willen gaan werken, en anderen juist in wet- en regelgeving. Haar klas op Duneas central, in Dundas Quebec, is allang weer met andere dingen bezig. Maar Heidi’s project kan tot voorbeeld strekken. Je kunt best een diepgravend debat te organiseren over de technologische revolutie zonder vooropgezette einduitkomst. Je kunt met wakkere en open (jonge) burgers heel goed praten over de juiste vragen, zoals over het karakter van de technologie-ontwerper. Technologie is geen kwestie van zwart of wit, van louter toestaan of enkel verbieden. Dat geldt ook voor het toezicht. We kunnen de last van het juiste oordeel niet gemakzuchtig afschuiven op mensen die nu eenmaal over de regeltjes gaan. Wetgeving hoort zich gevoed te weten met maatschappelijke opinie, ook al loopt ze noodzakelijkerwijs achter de ontwikkelingen aan.

Heidi Siwak houdt een blog bij over haar ervaringen met dit en vergelijkbare projecten