Geplaatst door op 10 September 2014

ta

De toekomst van het werk

Mensen worden zonder pardon vervangen door een machine of een softwarepakket. Hoe ziet ons werk in de toekomst eruit, nu ICT en computerkracht steeds meer vermogen? In tijden van verandering moet je flexibel van geest kunnen zijn.

HET IS EEN gemoedelijke maandagavond in People’s Place, een verborgen bedrijfskantine aan de rand van het Leidseplein. Het personeel van Tommy Hilfiger Nederland eet hier normaal zijn boterham, maar vanavond mag een divers Amsterdams publiek een talkshow bijwonen over werken in de stad. Het thema luidt Work is where the wifi is. Oftewel, wat betekent het voor de inrichting van de stad als steeds meer mensen kunnen volstaan met een laptop en een internetverbinding om te werken? Wanneer maken de lege kantoorkolossen eens plaats voor concentraties van flexibele werkplekken, ten behoeve van flexibele werkers?

Het is een reële vraag, zoals de opkomst van een kleine honderd belangstellenden vanavond laat zien. In tien jaar is het aantal zzp’ers in Nederland met 45 procent gegroeid. Meer dan achthonderdduizend mensen verdienen als eenpitter hun brood. Ze hebben hun werkplek thuis of in een zogeheten third place, de hedendaagse benaming voor publieke gelegenheden als de Coffee Company. Drie samenhangende trends hebben gezorgd voor de opmars van Het Nieuwe Werken, vertelt stadsplanoloog Pieter van der Heijde. Werknemers worden tegenwoordig beoordeeld op hun output, in plaats van op het aantal uren dat ze werken. Ze zoeken daarvoor een stimulerende werkomgeving. En technologie maakt het mogelijk dat werk overal mee naartoe te nemen: wifi is nog belangrijker nu dan een parkeerplaats ooit was.

Maar de invloed van de crisis moet niet worden uitgevlakt, voegt Van der Heijde eraan toe. Er is veel verborgen werkloosheid onder zzp’ers die op het oog vrolijk achter een latte op hun Apple turen. Het zelfstandige bestaan is vaak afgedwongen, geen vrije keuze. Ze kunnen met lage vergoedingen toe omdat de fiscus van zzp’ers met een bescheiden inkomen nauwelijks geld inhoudt. Maar de politiek wil dit belastingvoordeel inperken, zodat het onderscheid met vaste werknemers kleiner wordt. Als de economie weer aantrekt, denkt Van der Heijde, zullen vooral jongeren alsnog proberen in loondienst te komen. Ouderen kunnen als zzp’er hun kennis en ervaring nu eenmaal gemakkelijker te gelde maken. Voor nieuwkomers op de arbeidsmarkt is dat lastig, al maken zij juist de bulk uit van het vrije-productielegioen. Sinds 2010 zijn er meer jongeren met een flexibele dan met een vaste baan, zegt het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Dat valt ze soms zwaar, een recente tentoonstelling in Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond laat daar geen misverstand over bestaan. Zes jonge Belgische kunstenaars mochten er hun visie op de toekomst van werk presenteren. Is technologie een vloek of een zegen voor de werkende mens? Sommigen hopen dat de computer en de robot ons zullen verlossen uit de tredmolen. Anderen vrezen dat al die flexibilisering vooral leidt tot verlies van identiteit en sociale context. Voor het merendeel van de kunstenaars is de keuze niet zo moeilijk. Het kan misschien spannend klinken om je eigen producten uit je eigen computer te toveren, maar de toekomst is erg onzeker. En de overheid en het bedrijfsleven laten de jonge eenpitters vooral in hun sop gaar koken in plaats van ze inspiratie of vertrouwen te bieden.

Zo verbeeldt twintiger Thomas Lommée het unheimische gevoel van zijn generatiegenoten in een simpele installatie. Hij bouwde een weegschaal met twee soorten gewichten: één voor tijd, één voor geld. Aan de zzp’er de opdracht de schaal in evenwicht te brengen door de gewichten weloverwogen neer te zetten. In designstore Droog, waar het kunstwerk stond tentoon­gesteld, was het dit voorjaar een grote trekker. Bezoekers konden hun handen er bijna niet van afhouden.

‘Het raakt een snaar bij het publiek’, erkende Lommée tijdens de afsluitende discussiebijeenkomst die De Brakke Grond op 1 mei, de Dag van de Arbeid, belegde. ‘Er is een frictie tussen het oude en het nieuwe werken. Mijn installatie helpt bepalen: hoe deel ik m’n dag in en hoe ga ik geld verdienen? Hoe bewaren we het evenwicht?’ Het was de hoogopgeleide twintigers en dertigers in het publiek uit het hart gegrepen. Onder elkaar in een donker zaaltje wilden ze best toegeven dat het flexibele leven niet alleen rozengeur en maneschijn is. Is onze crisis niet vooral een mentale crisis, klonk het uit de zaal. Het Nieuwe Werken vraagt veel meer eigen initia­tief, dat moet je wel kunnen opbrengen. ‘Er zijn veel meer burn-outs. Al die onzekerheid rondom werk is een groot probleem’, viel een ander bij. ‘Onze generatie moet zichzelf niet dezelfde doelen stellen als de vorige generatie’, voegde een jonge man toe. ‘Je moet tegenwoordig met meer petten op kunnen leven.’ Zijn buurvrouw knikte: ‘Ik herken dit. Wat is eigen keuze en wat doe je om wille van werk? Het onderscheid is zo lastig. Ik kan al lang geen televisie meer kijken zonder steeds mijn mail te checken.’

Een flexibel arbeidsbestaan is hard werken zonder de zekerheid van succes. Het kan geen kwaad om dat in het achterhoofd te houden nu uit de Verenigde Staten juichverhalen klinken als zouden jongeren probleemloos hun weg vinden op de nieuwe arbeidsmarkt. Marketeers in de VS zijn sinds kort in de ban van de millennial-generatie, geboren tussen begin jaren tachtig en begin 2000, die garant zou staan voor een nieuwe mentaliteit. Millennials zijn ondernemende, creatieve en sociaal bewogen mensen, die niet meer zo nodig een goedbetaald, vast contract bij een groot bedrijf ambiëren. De crisis heeft hun geleerd dat je op geld toch niet kunt bouwen. Een denktank omschreef ze als ‘Amerika’s meest overtuigde optimisten’. Ook dat slaat terug op hun ervaringen met permanente tijdelijkheid, een aaneenschakeling van updates, contracten die komen en gaan. Ze gaan ervan uit dat vastigheid voor hen niet is weggelegd. En daarom draaien ze het om: lang leve vandaag, en wat morgen brengt, zien we dan wel weer. Maar, zo blijkt althans in Amsterdam, wel degelijk zo nu en dan met pijn in het hart.

Het helpt natuurlijk wel als je in een tijd van verandering flexibel van geest kunt zijn. Je past je dan gemakkelijker aan. Technologie zal de arbeidsmarkt drastisch veranderen – nu al ervaren mensen dat ze zonder pardon worden vervangen door een machine of een software­pakket. Het oude bestel gaat op de schop, dat inzicht dringt ruimschoots door.

HOE ZIET ons werk in de toekomst eruit, naarmate ict en computerkracht steeds meer vermogen? Hoe kun je daarop anticiperen? Kunst­matige intelligentie ontwikkelt zich razendsnel, ook grote bedrijven investeren er fors in. Vorige week plukte Google nog een vooraanstaande onderzoeksgroep op het gebied van quantum computing weg bij de Universiteit van Californië. Nadat de Universiteit van Oxford had berekend dat 45 procent van de Amerikaanse banen op de tocht staat vanwege nieuwe technologie is vorig najaar ook in Europa de nervositeit opgelaaid. We ervaren zelf hoe snel we overstappen op internetbankieren, op online bestellen, op lezen vanaf de smartphone. Vanzelfsprekend heeft dat gevolgen voor de werkgelegenheid. Maar welke precies? En wat betekent dat voor het individu?

Het antwoord op die vraag lijkt eerder ­ingegeven door geloof en temperament dan door harde cijfers. De deskundigen zijn namelijk ten diepste verdeeld. Het Pew Centre, een onafhankelijke denktank met een goede reputatie in de VS, publiceerde vorige maand een onthullend rapport. Pew vroeg meer dan 2500 experts: zullen robots en automatisering in 2025 meer banen hebben vernietigd dan ze hebben opgeleverd? 48 procent antwoordde met ja, 52 procent met nee. Alle ondervraagden waren ervan overtuigd dat er in de komende jaren op grote schaal werk verloren zal gaan. Maar komen er voldoende banen voor terug? Daarover lopen de meningen uiteen.

De optimisten denken van wel. Zij wijzen op de vele nieuwe banen die dankzij de computer nu al bestaan: IT-ondersteuners, bouwers, webdevelopers, data-analisten, netwerkonderhouders, enzovoort. Bovendien is het een zegen voor de mensheid als machines hen geestdodend en gevaarlijk werk uit handen nemen, zeggen ze. Minder banen kan ook een bevrijding betekenen. De pessimisten geloven daar niets van. Zij zien de kloof tussen haves en have nots alleen maar groeien. De haves houden van uitdagend werk, de have nots sappelen om nog iets van een inkomen bij elkaar te schrapen. De verdiensten van de technologische boom zijn grotendeels in de zakken van slimme investeerders beland, niet bij de gemiddelde medewerker, zeggen ze. De consument heeft weliswaar geprofiteerd, maar de positie van de werknemer is enkel verzwakt. ‘We zullen eraan moeten wennen dat vanuit economisch oogpunt – niet vanuit moreel oogpunt – steeds meer mensen overbodig worden’, schrijft een van hen omineus.

Ook in Nederland is de discussie voorzichtig opgelaaid. De Belgische denktank Breughel berekende deze zomer dat 49 procent van de banen in Nederland kwetsbaar is voor automatisering. Daarmee zitten we in Europees verband nog aan de lage kant, want in Roemenië is 62 procent van het werk in gevaar. Maar terwijl oud werk verdwijnt, komen nieuwe banen op, brengt het economisch bureau van ing daartegen in. Denk aan de florerende games-industrie. Een open economie als Nederland kan bij uitstek profiteren van de opkomst van robots, omdat ze goedkoper produceren dan mensen.

Efficiëntere productie verhoogt de welvaart, dat leert de geschiedenis. Volgens ing zijn Nederlanders in meerderheid ook helemaal niet bang voor de technologische impact op hun werk. Een grote internetpoll leert dat vier op de vijf Nederlanders het werk in de afgelopen vijf jaar enigszins tot stevig hebben zien veranderen en ongeveer hetzelfde beeld verwachten voor de komende vijf jaar. Een derde denkt dat technologie hun kans op de arbeidsmarkt zal vergroten, een derde is neutraal en maar één op de vier ondervraagden ziet technologie als negatief voor de eigen kansen.

Dat klinkt allerminst alsof mensen in paniek om zich heen kijken naar manieren om in hemelsnaam aan het werk te blijven. Maar ziet de gemiddelde werknemer wat technologie allemaal vermag? In onze complexe en vertakte economie kan een technische vinding in Zuid-Korea uiteindelijk thuiszorgmedewerkers in Winschoten overbodig maken. Dit punt maakt de Nederlandse ondernemer Ronald van den Hoff graag, als hij in zaaltjes komt vertellen hoe hij van zijn bedrijf Seats2meet, dat tijdelijke ­vergaderlocaties verhuurt, een internationaal succes maakte. ‘We zien dat steeds meer mensen auto’s en andere producten delen. Als die deeleconomie doorzet, kan dat bedrijven wel vijftig tot honderd miljard omzet schelen. Voor iedere deelauto in de twintig grootste Amerikaanse steden blijven er nu al 32 auto’s onverkocht. Ga eens na wat dat betekent voor de markt van autoverzekeringen. Of voor de schatkist, die straks veel minder bpm ontvangt. Daar gaan banen verloren, dat kan niet anders.’ Flexibiliteit en onzekerheid zijn ‘here to stay’, zegt Van den Hoff. Hij gaat ervan uit dat over een paar jaar veertig tot vijftig procent van de werknemers als zelfstandige het brood probeert te verdienen, simpel omdat vaste banen steeds schaarser zullen worden.

Daarnaast willen mensen wel eens vergeten dat digitale ontwikkelingen menig business­model onder druk zetten. Welk bedrijf weet zeker dat het over vijftien jaar nog bestaat? Die oude winkel in de Dorpsstraat hoefde in de wijde omtrek misschien één, hooguit twee concurrenten te dulden. Met de komst van webshops is die situatie drastisch veranderd. De winkel hoeft maar één fout te maken en een concurrent springt in het gat. Online ontstaat een nieuw speelveld, waar voor geleidelijke aanpassing nauwelijks plaats is. Ondertussen gaat die winkel in de Dorpsstraat alsnog failliet.

HOEVEEL WERK verdwijnt, hoeveel erbij komt, we zullen het moeten afwachten. Maar dat technologie mensen op de werkvloer vervangt, is aan de orde van de dag. In de jaren tachtig van de vorige eeuw verloren textielarbeiders in Twente en havenarbeiders in Rotterdam hun lichamelijk zware werk aan geavanceerde machines. Nu ligt een andere groep in het schutsveld: de lager geschoolde kantoormens, die vroeger mavo deed en nu mbo 1 of 2, misschien nog een beroeps­opleiding volgde en daarna getrouw aan het werk ging, vaak in een administratieve functie.

Het zijn de mensen die Ingobert Veen uit Zwolle aan een geschikte baan probeert te helpen. Veen leidt bureau Métier voor werving en selectie van middelbaar en hoger geschoold personeel in het technisch georiënteerde midden- en kleinbedrijf in Noord- en Oost-Nederland. Hij kan beeldend beschrijven hoe de automatisering in kleine en middelgrote industriële bedrijven werknemers op mbo-niveau in één keer buitenspel zet, te beginnen op de teken­kamer. Met programma’s in 3D en teken­pakketten die automatisch koppelen aan het informatie- en managementsysteem – het zogeheten erp – rekent software precies uit hoeveel meter staal er nodig is, hoeveel mensuren dat vergt en welke bewerkingen nodig zijn. Daar komt geen mbo-tekenaar meer aan te pas. Dan gaat het hele pakket naar de afdeling werkvoorbereiding. De tekening geeft aan wat er moet gebeuren en wat er besteld moet worden. De inkoop is geautomatiseerd, het bedrijf heeft alleen nog een hbo’er nodig die strategisch kan inkopen wat het pakket niet ziet. Werd deze planning vroeger handmatig gedaan, software is veel preciezer. Daardoor kan het bedrijf just in time leveren, zoals opdrachtgevers als asml nu eenmaal verlangen. Het erp maakt de productie sneller, efficiënter en goedkoper dan welke werknemer dan ook zou kunnen.

Maar niet alleen het technisch personeel, ook de boekhouder moet vanwege de automatisering aan hogere eisen voldoen. De crisis heeft bij veel bedrijven geleid tot lagere marges en beperkte reserves. De directeur wil nu meteen op zijn dashboards kunnen zien hoe de kern­cijfers luiden, zodat hij tijdig kan bijsturen. Een boekhouder die na het behalen van zijn mbo-diploma twintig jaar geleden niets heeft bijgeleerd, kan zulke dashboards niet leveren. En dus wordt hij of zij overbodig. Net als de secretaresse die Excel maar niet onder de knie krijgt.

‘Bij mijn klanten vallen de administratieve medewerkers weg’, zegt Veen. ‘Er zijn veel te veel secretaresses. Dus als ik wel een secretariële of administratieve vacature uitzet, krijg ik binnen 24 uur meer dan honderd sollicitaties binnen. Dat is sneu voor de mensen, want ze worden afgewezen zonder dat ze er iets aan kunnen doen. Maar er is absoluut minder vraag naar mensen die op mbo-niveau werken. Voor de betrokken mensen is dat een moeilijke boodschap, want een administratieve baan gaf altijd een zekere status. Die raken ze naar hun gevoel kwijt.’

Veen, die een klein bureau met acht medewerkers runt, heeft onder het beslag van technologie ook zijn eigen werk behoorlijk zien veranderen. Ook op zijn kantoor zijn licht administratieve mbo-functies verloren gegaan. ‘Wij hebben elfduizend mensen in onze database zitten. Die mensen reageren op vacatures. Vroeger moest dat allemaal handmatig worden ingevoerd, nu gaat het automatisch. Ik werk nu met collega’s die op hbo-plus-niveau opereren. Ze weten hoe we hoog in de zoekmachine van Google kunnen komen, snappen Analytics, denken cijfermatig. Ze hebben verstand van marketing en communicatie, dat is belangrijk geworden.’

En ook Métier gebruikt nu software in plaats van mensen. Sollicitanten ondergaan tegenwoordig een digitaal assessmentprogramma. Vroeger moest een psycholoog de geschiktheid vaststellen, op basis van vage gronden en zonder kennis van het bedrijf in kwestie. Nu laat het programma in één opslag zien of een kandidaat voldoende analytisch denkt.

Het gaat Ingobert Veen aan het hart dat sommige mbo’ers gewoon niet lijken te snappen hoe de wereld verandert en wat er nu van hen wordt verwacht. Sollicitanten die nog steeds denken dat ze als vertegenwoordiger kunnen volstaan met een kopje koffie bij de klant om zaken te doen. Jonge vaders die nu even geen tijd hebben om zich te verdiepen in de nieuwste ontwikkelingen in hun vakgebied en die mogelijk pas wakker worden als het te laat is. Servicemonteurs die niet door hebben dat je niet langer naar Rusland of Polen hoeft af te reizen om eenvoudige storingen op te lossen. Tegenwoordig kan dat ook op afstand met behulp van camera’s en internet, waarbij een servicemonteur vanuit Nederland instructies geeft. Veen: ‘Dan kun je beter een alerte hbo’er hebben die goed kan doorvragen aan de telefoon en de dealer aldaar helpt het probleem zelf op te lossen. Dat kan een mbo’er ook. Maar dan moet hij wel bereid zijn zich in het probleem te verdiepen. En hij moet z’n talen spreken.’

ta2

HET BEELD dat Veen schetst zou niet hoeven te verrassen. Dat werknemers uit de middengroepen onder vuur komen van een automatiseringsgolf liet zich al jaren aanzien. De vorige bestuursvoorzitter van Randstad Ben Notenboom waarschuwde in 2012 al dat ‘het midden uit de Europese arbeidsmarkt zou vallen’. Zijn bedrijf had dat op eigen initiatief laten uit­rekenen door seo, op een moment dat andere economische rekenbureaus nog met hun hoofd in de financiële crisis zaten. Ook in De Groene Amsterdammer werd tijdig gewaarschuwd. De Groningse economen Sjoerd Beugelsdijk en Steven Brakman schreven in november 2011: ‘Het zijn niet de zeer laag opgeleiden en de zeer hoog opgeleiden, maar de relatief grote middengroep voor wie de kille wind steeds sterker voelbaar wordt.’ Ze pleitten voor betere bescherming van deze middengroep.

Maar in Den Haag is het niet geland. Minister Asscher van Sociale Zaken erkende dit voorjaar weliswaar dat de arbeidsmarktpositie van werknemers met een gemiddelde opleiding door automatisering onder druk komt te staan, maar bij de oplossingen noemde hij maatregelen waar de gemiddelde administrateur niet wijzer van wordt, zoals een verbod van malafide uitzendbureaus of de strijd tegen private equity.

We kunnen er dus van uitgaan dat het voorziene verlies van duizenden banen in de financiële sector bijvoorbeeld gewoon doorgang vindt. In het bank- en verzekeringswezen gingen vanwege de crisis in de afgelopen vijf jaar al 38.000 banen verloren. Maar het uwv berekende onlangs dat daar in de komende vijf jaar nog vijftienduizend bij komen. Automatisering en digitalisering eisen hun tol. Internet is de voornaamste oorzaak, laat ingdesgevraagd weten: ‘Inmiddels is bijna 95 procent van onze klantcontacten digitaal. Doordat we onze processen verder verbeteren (lees: automatiseren – yz) kunnen we het werk met minder mensen doen. Dat gaat helaas gepaard met fors banenverlies.’

Die banen verdwijnen vooral bij functies op mbo-niveau. Wie internetbankiert heeft geen baliemedewerker meer nodig. En als je de afschrijvingen automatisch downloadt, hoeven ze niet meer verzonden te worden. ing hanteert een fatsoenlijk Sociaal Plan en spant zich in om boventallige werknemers te helpen aan een nieuwe baan, maar het succes is beperkt. Veertig procent gaat uiteindelijk verder met een eigen bedrijf in plaats van in een vaste betrekking. Wat er vervolgens met hen gebeurt, wordt niet bijgehouden.

ONZEKERHEID over een onvaste toekomst beperkt zich dus niet tot hipsters in Amsterdam, het treft ook – en vooral – de lage middengroepen. Onder de laagst opgeleide mbo’ers bedraagt de werkloosheid 46 procent. Welke toekomst wacht hun? Ze moeten ofwel upgraden naar hoog mbo- of laag hbo-niveau – de vraag naar programmeurs en analytisch technisch personeel is veel groter dan het aanbod, en zal naar verwachting enkel groeien. Voor wie dat niet is weggelegd, is persoonlijke dienstverlening een mogelijk alternatief, bijvoorbeeld in de zorg. Het aanbod van persoonlijke dienstverleners stijgt dit en volgend jaar met vele tienduizenden mensen. Aldus herhaalt zich de geschiedenis uit de jaren tachtig en negentig, toen sjorders en landarbeiders hun baan geautomatiseerd zagen en plaatsvervangend werk vonden in de schoonmaak, de beveiliging of de horeca – werk dat zich voorlopig nog steeds niet laat robotiseren.

De technologische vooruitgang brengt wel nieuw werk met zich mee nadat ze van alles heeft vernietigd, maar niet in het midden­segment. Die conclusie lijkt onontkoombaar. De kloof tussen hoog en laag groeit. Webdeveloper en yogaleraar zijn de nieuwe banen met aanzien. In New York of Londen kijken we daar niet van op. Maar past het ook in polderland Nederland, in Enschede of Den Bosch?

De digitale revolutie dwingt werkende mensen tot dezelfde beweeglijkheid die ze zelf met zich meebrengt. ‘Kijk om je heen’, zegt Ingobert Veen tegen mbo’ers wier baan op de tocht staat. ‘Leer van je omgeving, praat met collega’s, met concurrenten. Degene die in staat is zichzelf te vernieuwen, die leergierig is en drive heeft, die gaat het verschil maken, want die pikt het op. Maar het is wel vermoeiend. Je kunt niet denken: het zal mijn tijd wel duren. Je moet steeds denken: ben ik de laatste versie?’

Het is een praktische vertaling van wat hoogleraar maatschappijwetenschappen Peter van Lieshout bedoelt als hij zegt dat we in Nederland ons adaptief vermogen moeten versterken. Van Lieshout schreef dat in het wrr-rapport Naar een lerende economie, waarover hij sinds de verschijning begin dit jaar al 150 keer een praatje mocht houden. Het heeft niet zoveel zin om ons in de ene of de andere topsector te bekwamen, want markten en voorkeuren veranderen toch constant, vindt Van Lieshout. Nederland kan er beter voor zorgen dat het tijdig weet in te spelen op nieuwe omstandigheden. Daar ligt voor het Nederlandse onderwijs en het Nederlandse poldermodel nog een flinke uitdaging, meent hij.

Het is de bestuurlijke pendant van de opdracht die veel mensen vooralsnog in hun eentje klaren: accepteren dat oude zekerheden verdwijnen en het beste maken van het eigen arbeidzame leven. Dat is een handige strategie als Ronald van den Hoff gelijk krijgt, en de flexibilisering van de arbeidsmarkt gewoon doorzet. Voor veel jongeren zit er al een tijd niets anders op. ‘We moeten wel, het kan niet anders’, zegt de ooit veelbelovende managementconsultant die nu als freelancer door het leven gaat. ‘De tijden van voor de crisis komen niet meer terug. Maar ik heb het best naar mijn zin.’ Dat klinkt alsof die vrolijke millennials uit de Verenigde Staten, voor wie flexibiliteit een deugd is, toch niet helemaal ver weg zijn. Al kan het geen kwaad eerlijk onder ogen te zien dat externe krachten zoals de digitalisering die flexibiliteit hebben afgedwongen – niet omdat iedereen deze beweging en haar gevolgen nu van harte toejuicht.

Dit is het eerste verhaal in een reeks van drie over technologie en de arbeidsmarkt. Op 22 september vond in de Amsterdamse Stadsschouwburg De staat van de Stad plaats met als thema Werk en welvaart in 2025, waarin diverse sprekers onder leiding van Yvonne Zonderop ingaan op de toekomstige economie en werkgelegenheid in Amsterdam.

Beeld: Femke van Heerikhuizen