Geplaatst door op 27 January 2014

mensverbetering deep-brain-stimulation-diagram-thing-640x353

Een pilletje om je concentratie te verhogen tijdens een examen, welke student zegt daar nog nee tegen? Of een injectie met Botox om die nare wenkbrauwfrons te verzachten? In een paar jaar tijd is de kritiek op preparaten die ons mooier, sterker of slimmer maken gesmoord in acceptatie – terwijl het gebruik ervan groeide. Ook hier geldt de oude wet van de technologie: wat er is, wordt gebruikt als het uitkomt. Denk aan de bril, de contactlens, de oog-laser – ooit waren ze bijzonder, nu zijn ze doodnormaal.

Zal dat straks ook gelden voor de pil die hersenprikkels van een crimineel onderdrukt als hij  uit stelen wil? Of voor de bloeddrukverlager die angstige herinneringen vervaagt? De middelen zijn er in principe. Mogen ze dan ook beschikbaar komen? Of overtreden we daarmee een grens die we om sociale of morele redenen liever intact houden?

Het antwoord is niet eenvoudig. Hoe ver de mens mag gaan in zijn poging zichzelf te verbeteren, is gevoelige materie in Nederland – en niet alleen bij ons. Het blijkt uit het simpele feit dat de term ‘mensverbetering’ maar niet ingeburgerd wil raken. Het is de letterlijke vertaling van een Amerikaanse wetenschappelijk begrip, zo lees ik in een essay van Rinie van Est en Mirjam Schuijff (pdf) van het Rathenau Instituut. Zij probeerden het debat over human enhancement uit de beschutting van de universiteit te trekken naar de spotlight van het maatschappelijk debat. Dat ze daar (vooralsnog) maar deels in zijn geslaagd, bewijst hoe ingewikkeld de materie is.

Niemand weet wat we precies onder mensverbetering moeten verstaan. Het is een term die vol verwachting duidt op wat allemaal mogelijk kan worden. Hij ontstond toen Amerikaanse wetenschappers constateerden dat een aantal veelbelovende technologieën op elkaar begonnen in te werken, zodat nieuw, onontgonnen terrein ontstond. Nanotechnologie, biotechnologie, ict en hersenwetenschap liepen steeds vaker in elkaar over, ze convergeerden zogezegd. DNA-onderzoek kreeg een impuls van datacomputerkracht. Hersenonderzoekers konden opeens het brein via de computer bestuderen – en beïnvloeden. Mini-sensoren in pilvorm konden via de bloedbaan ons lichaam in worden gestuurd. De wetenschappers raakten zo enthousiast over de vele nieuwe kansen dat ze zeiden: we moeten ons niet beperken tot het genezen van ziekten, maar ons ook gaan richten op verbetering van de geestelijke, lichamelijke en sociale kwaliteiten van gezonde mensen. Daarmee gaven zij – alweer tien jaar geleden – het startschot voor een wereldwijd debat over de pro’s en contra’s van mensverbetering in academische kring.

Sindsdien is de technologie inderdaad een stuk opgeschoten. Neem Deep Brain Stimulation, waarbij ingebrachte elektrodes bepaalde hersengedeeltes stilleggen. Het is een uitkomst voor sommige Parkinsonpatiënten, want het bestrijdt het trillen. Maar het kan tegelijkertijd je persoonlijkheid veranderen. Hoogleraar filosofie van de techniek Peter Paul Verbeek beschrijft een angstwekkende casus in zijn boek De grens van de mens. Nadat een geavanceerde prothese in zijn hersenen waren aangebracht, had een Nederlandse Parkinsonpatiënt veel minder last van trillingen. Maar hij werd ook een ander mens: hij ging een relatie aan met een gehuwde vrouw, kocht meerdere auto’s, veroorzaakte meerdere auto-ongelukken. Bij verwijdering van de elektrodes werd hij weer z’n oude ik, inclusief trillingen. Arme hij.

Dit geeft te denken. Welk pad gaan wij op? Sommige zogeheten neurodevices, die met elektrische of magnetische signalen de hersenactiviteit beïnvloeden, zijn effectiever dan pillen. Maar ze worden door de (Europese) wetgever veel minder intensief gescreend dan medicijnen. De politiek moet zich deze ontwikkelingen dus ook ter harte nemen

Bij de vraag hoe ver je mag gaan, zijn we geneigd om te denken aan dat ene individu dat met technologie geholpen wordt. Maar het gebruik van inwendige technologie heeft ook sociale gevolgen. Als uw kind de Cito-toets moet doen, geeft u haar dan een bètablokker zodat ze rustig en geconcentreerd blijft? Liever niet? Ook niet als een meerderheid van de ouders in haar klas dat wél doet? Dan is uw kind immers mogelijk in het nadeel.

Nederlandse burgers realiseren zich maar al te goed dat mensverbetering niet alleen hosanna is. Sterker, de meesten moeten er desgevraagd maar weinig van hebben. Mirjam Schuijff van het Rathenau Instituut onderzocht nu eens wat de burger in plaats van de insider van mensverbetering vindt. Weerstand blijkt te overheersen. Maar ja, dat gold vroeger ook voor de beugel. Het is ook een kwestie van kennis en gewenning, zo erkennen de ondervraagden. Het gesprek over mensverbetering is dus nooit af – zo min als er een einde komt aan de stroom van nieuwe technologie die ons een betere mens in het vooruitzicht stellen.

Wil je zelf weten waar je staat in het debat over mensverbetering? Doe de Supermenstest